Maak van Achterblijvers Voorlopers!

Toen de Bijlmerbajes net was geopend werkte daar de inmiddels overleden Hero Postma (1926-2009), een zeer “sociale” directeur. Zwarte Joop (de “koning van de Wallen”) richtte toen een stichting op om geld voor kadootjes en uitstapjes voor de kinderen van gedetineerden op te halen. Hero trad graag toe tot het bestuur. Een prachtig initiatief dat helaas abrupt ten einde kwam toen een Telegraaf-fotograaf Hero kiekte op de stoep van de Casa Rosso waar hij zojuist een vergadering had gehad. Voorpaginanieuws: heel Nederland sprak er schande van en de minister was “not amused”. Hero was echter een integer man en kon op formele gronden niet ontslagen worden. Hij werd wel overgeplaatst vanwege “onverstandig handelen”. Ik heb Hero goed gekend en hij was een voorbeeld voor mij en anderen. Hij snapte dat als je iets wilt doen om reintegratie te bevorderen het begeleiden van gedetineerden zijn beperkingen heeft. Zeker als het thuis slecht gaat, er onvoldoende hulp is voor de achterblijvers en te weinig aandacht voor het (faciliteren van) het contact tussen hen en de gedetineerde. Een succesvolle terugkeer is er bij gebaat dat het thuisfront van een gedetineerde zich kan herstellen van de gevolgen van de detentie en in staat is haar cruciale rol bij terugkeer van de gedetineerde waar te maken. Ook is het voor het beperken van de schade van groot belang, dat een gedetineerde tijdens zijn detentie de natuurlijke rollen in zijn/haar leven zoveel mogelijk kan blijven vervullen: die van ouder, partner, broer of zus en zoon of dochter. Relaties van gedetineerden (de zg. “achterblijvers”) hebben met veel instanties, regelingen en de interpretatie en de uitvoering daarvan te maken. Daarnaast gebeurt er in het gezin veel op psychosociaal gebied en tenslotte is het niet zelden nodig om het herstel van de relatie tussen (leden van) het gezin en de gedetineerde te begeleiden. We weten dat kinderen, ouders en de partner van een gedetineerde de heftigste gevolgen van de detentie ervaren en dat tegelijkertijd hun rol bij een succesvolle terugkeer van levensbelang is. Je hoeft geen raketgeleerde te zijn om te snappen dat dat ongelofelijk zwaar is. De strafbare feiten zijn niet door hen gepleegd en meestal ook niet met hun medeweten of instemming. Naast allerlei administratieve en financiële perikelen ervaart het gezin maar al te vaak veroordeling en uitsluiting. Op bezoek gaan is een zware belasting: faciliteiten zijn zeer beperkt en bezoektijden vallen vaak op onmogelijke tijden. Bajessen liggen ver weg en zijn heel moeilijk te bereiken met het OV. Het gezin worstelt om te “overleven”. Hoezo ook nog een bijdrage leveren aan een succesvolle terugkeer? Wie bekommert zich om hun situatie? Bijna niemand en dat is geen toeval. De achterblijvers hebben formeel geen enkele positie bij de tenuitvoerlegging van de straf en in het re-integratieproces. Het ministerie van V&J heeft daarom ook niet het gevoel hier een taak in te hebben. Hoogstens wordt iets extra’s georganiseerd voor kinderen, maar zeker niet voor de zo belangrijke omgeving van het kind. Ook is sprake van beperkingen door privacywetgeving en zowel gedetineerden als hun partners staan vaak wantrouwend tegenover inmenging in hun situatie. Ook schaamte en onwetendheid spelen een rol en eerder opgedane teleurstellingen. Het grootste deel van de achterblijvers heeft maar kort met detentie te maken en de gezinsproblemen nemen na terugkeer vaak toe omdat er op diverse leefgebieden nog geen herstel heeft plaatsgevonden. Gevangenissen zouden een plaats van herstel moeten worden waar gedetineerden gebeurtenissen uit het verleden een plek kunnen geven, hun evenwicht hervinden en de regie terugnemen over hun eigen succesvolle terugkeer.. Natuurlijk: na de decentralisatie in het sociale domein is de gemeente verantwoordelijk voor de nazorg aan gedetineerden. Elke gemeente heeft daarom een nazorg-coördinator. En inderdaad: de gemeente is ook verantwoordelijk voor de hulp aan gezinnen, zeker als sprake is van ouders met kinderen in een knelpositie. In de gevangenis heeft elke gedetineerde bovendien een casemanager en er is een re-integratiecentrum in elke PI waar gedetineerden contact met hun gemeente van terugkeer zouden moeten kunnen hebben. Gemeenten krijgen een melding als een van haar inwoners in detentie geraakt dus zou je aannemen dat de casemanager in de gevangenis, de nazorg-coördinator en het betreffende wijk-of gebiedsteam een “sluitende aanpak” zouden kunnen realiseren. Die term “sluitende aanpak” wordt ook gebruikt ten aanzien van “verwarde personen” Ook daar is sprake van een behoorlijk aantal voorzieningen maar wordt de doelgroep vaak pas bereikt als er sprake is van escalatie. Gedetineerden en ex-gedetineerden en hun familie vinden alle verhalen van DJI over het beperken van schade en voorbereiding op terugkeer “praatjes voor de bühne”. Ze hebben over het algemeen het gevoel dat het systeem hen in de kou laat staan en dat ze het volledig zelf moeten uitzoeken. Achterblijvers nemen soms een initiatief maar zijn versplinterd. Een pilot in West-Friesland waar vrijwilligers een uitgebreide meerdaagse training volgden om achterblijvers te ondersteunen netwerken en steungroepen te vormen had geen enkel effect: organisaties fuseerden, medewerkers wisselden en er gebeurde niets. Enkele problemen op een rijtje: – Er is een grote groep inwoners van ons land die zich niet uit zichzelf meldt bij een loket of een formulier invult om zich aan te melden. Vaak is dit juist een indicatie voor de ernst van de problematiek. Kan veel oorzaken hebben: ziekte, administratieve onbekwaamheid, schaamte, er niks meer bij kunnen hebben of moe zijn van bureaucratie in het algemeen. – Medewerkers werken niet “outreachend”. Ze trekken zich terug achter hun bureau en gaan zelfs bij signalen niet zelf poolshoogte nemen bij een gezin. Angst speelt een rol, maar wordt zelden ter sprake gebracht. Ze zijn moeilijk te spreken te krijgen, brengen veel tijd achter de computer door of zitten in vergaderingen waar ze “over” mensen spreken in plaats van “met” mensen. Ze klagen over administratieve druk en verliezen vaak gaandeweg hun motivatie om te doen wat nodig en effectief is en beperken zich tot wat strikt is voorgeschreven. Zo kan een Casemanager in de PI of een medewerker in een wijkteam het gevoel hebben haar/zijn taak prima uit te voeren en tegelijkertijd nauwelijks iets betekenen ten aanzien van de problematiek in de PI of de wijk waar zij voor zijn aangesteld. Het kan zijn dat ze de problematiek negeren of zelfs onwetend zijn van het bestaan er van. – Gedetineerden en achterblijvers worden geacht zelfredzaam te zijn en zijn dat vaak slechts deels. Het is de kunst om de verantwoordelijkheid bij hen te laten, een gelijkwaardig contact met hen aan te gaan en hen effectief te ondersteunen om hun eigen plan te maken en uit te voeren. Veel ambtenaren en hulpverleners verstaan die kunst niet. Er is van bovenaf dus heel veel georganiseerd vanuit de veronderstelling dat er dan aandacht zou komen voor de problematiek van inwoners (waaronder achterblijvers en ex-gedetineerden) en dat instellingen en gemeenten zouden gaan samenwerken ten einde effectief zorg te verlenen. Echter: al die van bovenaf opgelegde structuren “landen” niet wanneer er geen ruimte is voor herstel en groei, geen vertrouwen in de intenties en het herstelvermogen van mensen en er geen oprechte, actieve aandacht is voor de mensen/kinderen in een risicovolle situatie.. Het Platform Relaties van gedetineerden stelt voor: – om zowel in elke Penitentiaire Inrichting als bij elke gemeente een taak neer te leggen: “omgaan met relaties van gedetineerden”. Een portefeuillehouder aan beide kanten dus. Zij zijn het aanspreekpunt voor relaties van gedetineerden en zorgen er voor dat achterblijvers en gedetineerden de weg wordt gewezen naar de juiste instanties en dat die instanties geïnformeerd en betrokken worden bij het proces van herstel en terugkeer voor alle betrokkenen. Deze functionaris zou goed op de hoogte moeten zijn van de herstelgerichte benadering en de verschillende fases daarvan zodat gewerkt kan worden vanuit erkenning van ieders eigen context en realistische verwachtingen naar alle betrokkenen. – Daarnaast zouden achterblijvers erkend moeten worden als direct belanghebbenden en zouden gemeenten en DJI hen gelegenheid moeten bieden om hun stem te laten horen ten aanzien van aspecten die hen zeer raken: respectievelijk aandacht voor de specifieke gezinsproblematiek en de contact- en bezoekmogelijkheden. – Verder zou de gemeente de inzet van vrijwilligers en ervaringsdeskundige achterblijvers moeten faciliteren. Belangrijk om voorlichting te geven aan professionals en lokaal steunende netwerken van achterblijvers te vormen. In de afgelopen jaren heb ik veel achterblijvers ontmoet. Het zijn vaak heel sterke mensen (vooral vrouwen) die aan alle kanten onrecht ervaren en een enorme verantwoordelijkheid nemen voor hun gezin en ook nog voor hun geliefde in de bajes. Gevende en zorgende mensen. Maar een volkomen vergeten groep, zonder stem. Dat moet veranderen. Tenminste: als we echt serieus willen dat mensen zich rehabiliteren en voorkomen dat schade en onrecht van generatie naar generatie wordt doorgegeven.

Frans Douw November 2017